CVS / M.E Forum


    schooltypen

    Deel
    avatar
    Altijdmoe.com
    Admin

    schooltypen

    Bericht van Altijdmoe.com op vr jan 06, 2012 11:40 am

    schooltypen

    • Beroepsonderwijs
    • Openbaar onderwijs
    • Bijzonder onderwijs
    • Uitzonderingen op de richtingsvrijheid bij bijzonder onderwijs

    De Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) is van toepassing op alle vormen/typen van onderwijs. Dus zowel het primair, voortgezet, middelbaar beroep-, hoger beroeps-, en universitair onderwijs valt onder de AWGB. Ook cursussen en kortdurende opleidingen vallen onder het begrip onderwijs. Het gehele onderwijstraject valt onder het verbod van onderscheid. Hierbij kan worden gedacht aan de voorlichting, de toelating, de lessen, de examens en de diploma-uitreiking.


    Beroepsonderwijs


    Voor de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd geldt dat deze wet alleen van toepassing is op het beroepsonderwijs. Hier valt al het onderwijs onder dat opleidt tot een beroep. Het primair en voortgezet onderwijs valt er dus niet onder. Over de uitbreiding van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte naar het primair en voortgezet onderwijs is een wetsvoorstel (Kamerstukken II 2006-2007, 30507) verschenen, waarover de CGB twee adviezen heeft geschreven (advies 2006/14 en advies 2007/06). Het wetsvoorstel wordt in september 2009 door de Tweede Kamer besproken.

    Daarnaast hebben we in Nederland openbaar en bijzonder onderwijs, ook wel het duale stelsel genoemd. Dat vindt zijn grondslag in artikel 23 Grondwet (Gw). Het openbaar nderwijs gaat uit van de overheid, het bijzonder onderwijs gaat uit van het particulier initiatief. Alle schooltypen kunnen openbaar of bijzonder zijn. Voor de toepassing van de AWGB maakt dit niet uit: de AWGB is op alle vormen van onderwijs van toepassing, zowel openbaar als bijzonder.

    Openbaar onderwijs


    Het openbaar onderwijs gaat uit van de overheid. In het openbaar onderwijs mag om deze reden geen keuze tot uitdrukking komen voor een bepaalde godsdienst of levensovertuiging. De overheid dient het genot van het recht op onderwijs te waarborgen. Artikel 23, derde lid, Gw bepaalt dat het openbaar onderwijs met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing, bij de wet wordt geregeld. De eis ‘met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing’ brengt de levensbeschouwelijke neutraliteit van het openbaar onderwijs tot uitdrukking. Deze levensbeschouwelijke neutraliteit vloeit voort uit het beginsel van scheiding van kerk en staat.

    De levensbeschouwelijke neutraliteit van het openbaar onderwijs hangt samen met de algemene toegankelijkheid van het openbaar onderwijs. Beide kenmerken vloeien voort uit de fundamentele notie dat een openbare school er voor iedereen dient te zijn en dus ook voor iedereen toegankelijk moet zijn, ongeacht de godsdienst of levensbeschouwing die door (de ouders of verzorgers van) het kind wordt aangehangen.

    De neutraliteit van het openbaar onderwijs wordt veelal opgevat als een actieve neutraliteit of pluriformiteit. In artikel 46, eerste lid, Wet op het primair onderwijs (WPO) is bepaald dat het openbaar onderwijs dient bij te dragen aan de ontwikkeling van leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die in de Nederlandse samenleving leven Daarbij dient aandacht te worden besteed aan de verscheidenheid van deze waarden. Het openbaar onderwijs dient er mede vanuit te gaan dat de leerlingen opgroeien in een pluriforme samenleving (artikel 8, derde lid, WPO). Anders dan in sommige andere landen houdt het openbare karakter en de neutraliteit van het openbaar onderwijs dus niet in dat leerlingen niet geconfronteerd mogen worden met (uitingen) van verschillende geloofsovertuigingen.

    Het bevoegd gezag van een instelling van openbaar onderwijs dient leerlingen in de gelegenheid te stellen godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te ontvangen (artikel 50 WPO). Voor dit onderwijs is het bevoegd gezag echter niet verantwoordelijk. De overheid is niet verplicht om binnen de openbare school godsdienstlessen te organiseren. De neutraliteit van het openbaar onderwijs brengt dus niet mee dat er in de openbare school geen godsdienstig of levensbeschouwelijk onderwijs mag worden gegeven.

    Bijzonder onderwijs


    Ook particulieren kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van het recht op onderwijs. Onderwijs dat van particulieren uitgaat wordt veelal aangeduid met de term bijzonder onderwijs. Het bevoegd gezag van een instelling van bijzonder onderwijs is veelal een stichting of een vereniging. Deze rechtspersoon is drager van de zogenoemde onderwijsvrijheid. De onderwijsvrijheid bestaat uit drie deelvrijheden:


    • Vrijheid van stichting; eenieder is vrij onder bepaalde voorwaarden een bijzondere school te stichten (artikel 23, tweede lid, Gw).
    • Vrijheid van richting; de vrijheid om inhoud en organisatie van het onderwijs te bepalen. De vrijheid van richting betreft ook de bevoegdheid om leerlingen te weigeren op grond van de (godsdienstige of levensbeschouwelijke) grondslag van de onderwijsinstelling.
    • Vrijheid van inrichting; vrijheid om in het onderwijs een bepaalde levensbeschouwelijke – al dan niet religieuze – visie op mens en samenleving over te brengen.

    Uitzonderingen op de richtingsvrijheid bij bijzonder onderwijs


    Vanwege deze richtingsvrijheid zijn in de AWGB twee uitzonderingen opgenomen voor het maken van onderscheid door instellingen van bijzonder onderwijs, in verband met het naleven van de godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag van de instelling. Deze uitzonderingsbepalingen zijn in de AWGB opgenomen, omdat de wetgever zich realiseerde dat het verbod van onderscheid uit de AWGB in bepaalde situaties zou kunnen botsen met andere grondrechten. Deze zorgen bestonden onder meer met betrekking tot de godsdienstvrijheid en de vrijheid van onderwijs.

    De regering achtte het de taak van de wetgever, en niet van de rechter of de CGB, om aan te geven hoe bij botsingen tussen grondrechten een weging diende te worden gemaakt. Met het aanbrengen van uitzonderingsgronden in artikelen 5 en 7 is uitdrukkelijk beoogd recht te doen aan onder meer de artikelen 6 (vrijheid van godsdienst), 8 (vrijheid van vereniging) en 23 (vrijheid van onderwijs) van de Grondwet. Dit betekent dat de wetgever vooraf heeft aangegeven in welke situaties de godsdienstvrijheid prevaleert boven de gelijkebehandelingsnorm.

    http://www.cgb.nl/dossiers/onderwijs/schooltypen

      Het is nu wo sep 20, 2017 7:24 am